Spurtend naar kantoor, naar verenigingswerk, naar dansen, sporten, familie, vrienden en met maar weinig rustpunten verheugde ik mij enorm op de laatste twee weken van vorig jaar die ik mijzelf vrij gaf. Als een kindje zo blij was ik op een lijstje de moetjes aan het wegstrepen totdat als enige zorg de kerstdis voor mijn gasten overbleef. Maar ineens waren daar volslagen onverwacht twee sterfgevallen.
Een dierbare collega moest afscheid nemen van de liefde van zijn leven toen zij genadeloos van een trap viel, maar een paar uur na het feest ter gelegenheid van zijn verjaardag waar we elkaar gedag zeiden met ‘Tot op de nieuwjaarsborrel dan!’ Hoe onwaarschijnlijk was het om later die week alle genodigden al opnieuw te ontmoeten maar dan tijdens haar uitvaart.
Toch, erna, in de condoléanceruimte, werd de sfeer allengs als in een café waar mensen elkaar tegenkomen en het gesprek al snel weer over dingen van alledag gaat en als je koffie gaat halen ben je je plaats in de lange rij kwijt hoor. Maar dan sta je tegenover je collega en wat zeg je dan. Ik kwam niet verder dan een verstikt ‘geen gekke dingen doen hè’; in de paar dagen die verstreken waren was de man jaren ouder geworden. Wat boeien hem dagelijkse maaltijden en nachtrust nog.
Minder dan twee weken later kwam het lot opnieuw voorbij en een stuk dichter bij huis toen een geliefde vriend overleed. Zomaar in zijn slaap in zijn eigen bed, ook maar in de veertig. De dringende oproep van zijn huisarts om een hartfilmpje te laten maken heeft hem net niet meer bereikt, wranger wordt het niet. Het enige wat te doen viel was mij in die dagen aan te sluiten bij de rouwende vrienden.
Maar ook daar, diezelfde avond nog, kon er al geginnegapt worden. De jongen in kwestie was bij leven en welzijn een schuinsmarcheerder maar van het soort dat je kunt vergeven. Wij stelden ons voor hoe misschien wel zes vrouwen in het zwart aan zijn graf zouden staan en vanonder hun hoeden en voiles achterdochtig naar elkaar zouden kijken en denken: ‘Zíj...??’
Op het werk viel het op dat ik in die tijd zo rustig was, niet mijn luidruchtige zelf. Mja, het fluiten als een bouwvakker zat er even niet in en het door de gangen rennen evenmin. Na verloop van tijd keerde het volume wel weer terug maar ik loop met meer ontzag dan voorheen een trap op en af. En soms voor het slapengaan denk ik bij mezelf: ik zal morgen toch wel wakker worden?
Ik blijf erg boos en verongelijkt over wat deze twee jonge mensen en hun nabestaanden is aangedaan. Als er een goede uitleg voor is praten we verder, maar dit is volstrekt onacceptabel, zo weggerukt worden uit het leven, zó oneerlijk dat je daar niet meer bij mag zijn. Waar was dit nou voor nodig.
We zouden allemaal 100 jaar moeten worden, iedereen een eeuw om mee te doen wat je wilt. Ongeacht hoe je leeft of welke keuzes je maakt: je wordt gewoon 100 en op de dag af weet je wanneer je lampje uitgaat. Al fantaserend over de mogelijkheden van een dergelijk plan kom ik op straat mijn gesjeesde buurman tegen. Hij wijst naar zijn denkbeeldige hond, roept dat die te veel sigaren rookt en hij loopt woest met zijn armen zwaaiend door.
Oef, die moet nog lang met zichzelf dan.